De Vlaardinger https://devlaardinger.nl/portals/0/afbeeldingen/logo-V.png

'Lang niet gezien!'

Ton Lebbink: Humane dipsaus

Ton Lebbink: Humane dipsaus

Ton Lebbink neuriede. Hij bekeek aandachtig zijn dienster Caroline, die druk bezig was met een anderhalfje, toen de cafédeur piepend openging. Hij zag een viertal boomlange mensen Helmers binnenkomen. Zij stonden naast elkaar; alsof het licht uitging. Goh, wat een reuzen! Ze gingen naast hem zitten aan de zinken toog. Twee aan elke kant. De dichter voelde zich een microbe, zo klein. Een poëtisch coronusje avant l'épidémie d'aujourd'hui.

Een van hen bleek een vrouw. Zij droeg een minirok die Caroline tot aan de kuiten reikte, als ze op dat punt van kleding ruilen zouden. Ze zag er knap uit bovendien. Het was een schoonheid voor mensen met slecht zicht van dichtbij. Zoiets als Theo uit die klassieke reclame ('Ik herkende je niet van zo dichtbij!'), maar dan met Thea (als ze zo heette, natuurlijk).
   Ton Lebbink bleef om zich heen kijken. Van links naar rechts, van onder naar boven, terug en weer een keer. De vier zaten rap en met gemak op de kruk met de voeten plat op de houten vloer alsof het een relaxzetel betrof; de knieën recht vooruit.
   ‘Ik heb geen slipje aan,’ zei de vrouw vanuit de hoogte maar met innemende glimlach. De ex-portier van Paradiso bevroor.
   Het werd koud om zijn hart. Ton Lebbink tikte per ongeluk zijn ijskoude jenever om; dat gebeurde hoogstzelden. Het glaasje kraakte, vertoonde een barst en rolde tergend langzaam naar de rand van de toog. Razendsnel pakte de giraffevrouw het lege tulpje.
   Ton Lebbink mompelde met lichte bibber in zijn stem: ‘Sorry. Dank je. Snelle actie, overigens.’ Opnieuw voelde hij een kriebel. Ditmaal in het gebied waarvan zijn liezen het gedeeld epicentrum vormden.
   De vier reuzen naast hem lachten gul.
   Ton Lebbink werd een nanoseconde door twijfel overvallen. Te laat! Daar schoof de wijsvinger van zijn rechterarm onder het ampele kleedje. Hij kon het eenvoudig niet laten. Grotexploratie had hem altijd al geboeid.
   Toen geschreeuw. Caroline sprong over de bar met in haar hand een keukenbijltje waarmee zij nog niet eerder had gehakt. Ton Lebbink trok schielijk zijn hand terug. De vrouw viel gillend achterover. Er verscheen een streep bloed in haar dijbeen.
   De drie lange mannen stonden vliegensvlug op. ‘Schoft, takkewijf,’ zeiden ze in koor. Ik trek je kleren van je lijf en plons je in de dichtstbijzijnde gracht. De spoelbak, desnoods. Twee aanstaande geliefden zo onheus bejegenen … heb je geen ganzenveer, trut!’
   Het was nu stil.
   Langzaam kroop de ellenlange amazone weer op haar kruk. Ze lachte. ‘Krijg nou wat,’ brulde ze van pret. ‘Ben ik me daar zomaar ineens ongesteld!’
   ‘Sorry, sorry,’ klonk het benauwd vanuit de keel van de inmiddels half ontkleedde Caroline. Zij droeg nog slechts haar slipje en een Marlies Dekkers bh. Die met de spaghettibandjes. Beiden waren rood als kreeft of een bekende Italiaanse sportwagen. Net als haar hoofd, trouwens.
   De giraffemannen hielden op en keken hun meterslange vriendin vragend aan. Caroline, spartelend in de lucht, hing er plompverloren bij als een eenzaam engeltje in een half opgetuigde kerstboom.
   Ton Lebbink was nog altijd gedachteloos.
   Toen zag hij iets waarnaar hij onbewust op zoek was. Dat was geen bontmanteltje. Zeker niet zo druipend van bloed. Bovendien: bont was al even verboden bij het natuurlijk deel der bevolking.

‘Tjonge jonge wat een feest,’ de handelsreiziger uit de Achterhoek stapte binnen. Het was vrijdagmiddag net voor borreluur en zijn werk voor die week was naar tevredenheid verlopen. Zijn baas kon trots zijn op de omzet die hij die week had gegenereerd.
   Toen kreunde de lange vrouw nog een keer. Heel kort. Het kon niet anders of zij had genoten van dit spektakel. Hooguit was zij teleurgesteld dat Ton Lebbink zijn vinger haar ontsnapte, licht schommelend zat zij aan de bar. Een van gelukzaligheid debiele glimlach om de brede mond.
   De inmiddels weer op de cafévloer aangelande Caroline rende naar haar kleren en deed ze snel weer aan. Het was nog lang geen zomer en ook de kachel stond uit. Voor je het wist liep je een pestje op. Of gewoon een koudje. Corona had je toen nog niet.

Er viel een sneeuwvlokje, gevolgd door vele koele albinobroeders en zusters, ze bleven stilliggen op het terras, alsof die plek het meeste soelaas bood. De sfeer keerde terug, zomaar, als na een knal en een ontploffing stof en stenen voor eeuwig op aarde waren weergekeerd.
   Ton Lebbink bestelde zes drankjes en rook nog verscheidene keren als een culinair specialist aan zijn vinger. Hij had haar smaak te pakken gekregen, maar of er ooit nog … van een vervolg … sprake zijn zou …? Dat wist niemand, ook de dichter niet.

NATTIGHEID

onze planeet bestaat voor 70% uit water.
de mens eveneens.
dus moet het universum 70% water bevatten.
de oerknal eveneens.

 

2 commentaar(en) op artikel "Ton Lebbink: Humane dipsaus"

Prachtig alweer!

Door: beaty Op:

Prachtig alweer!

Door: beaty Op:

Laat een reactie achter

Door het invullen en verzenden van dit formulier, wordt je naam, e-mailadres, IP-adres en inhoud van je reactie bewaard in de database van ons content management system voor deze website. Alleen je naam en de inhoud van je reactie zijn zichtbaar voor de lezers van de website. De redactie/beheerder van deze website kan je per e-mail naar het door jou opgegeven e-mailadres door middel van een persoonlijk bericht een reactie geven.
Reactie toevoegen

Theme picker

Meest gelezen:

Theme picker