De Vlaardinger https://devlaardinger.nl/portals/0/afbeeldingen/logo-V.png

De brug over de haven

De brug over de haven

Van Deventer tekende aan de oostzijde van de Haven twee boerderijen. De bouwlieden, die de Kleine en Grote Buitenweide pachtten, hielden zich bezig met veeteelt en landbouw. Om hun gewassen en andere producten met paard en wagen vanuit de Buitenweide naar de stad te vervoeren, maakten zij gebruik van een ‘uijtpad’ via de Spuidam of brug, gelegen over de Spuisluis (in het vervolg de brug over het Spui genoemd). Sinds het begin van deze eeuw ligt er opnieuw een brug, min of meer op dezelfde plaats.

De brug over het Spui was destijds de enige brug over de Vlaardingse Haven. Om vanuit Vlaardingen naar Schiedam te gaan, kon men via Kethel die richting uit of anders via de Maasdijk. Langs het Spui liep, in het verlengde van de brug over het Spui, een pad naar de Maasdijk. Thans is dit pad nog terug te vinden als de Hogelaan in het Hof.

Dat de route via de brug over het Spui niet algemeen in gebruik was voor ‘vrachtverkeer’, blijkt uit een kwestie die in 1586 voor de Hoge Raad van Holland aanhangig werd gemaakt. De ambtenaren van het Hoogheemraadschap van Delfland hadden de beide boeren, die met hun wagens uit de Buitenweide kwamen, bekeurd en vervolgens de brug afgesloten met een groot hek. De rentmeester van de ambachtsheer wist zich met succes te beroepen op het decennialange gebruik van het uitpad door de pachters.

In 1602 kocht Vlaardingen de bezittingen van de boer, die in de Buitenweide bij de brug over het Spui woonde. Voor 6000 gulden kwam de stad in het bezit van het huis, de schuur, de hooiberg en het geboomte. De achterliggende gedachte bij deze aankoop was, dat de kade langs de Buitenweide ofwel die van de oostzijde van de Haven, kon worden benut voor de schepen.

Zoals eerder werd gezegd, behoorde de Buitenweide tot de bezittingen van de ambachtsheren van Vlaardingen en Vlaardinger-Ambacht. Na de afzwering van Filips II als landsheer in 1581 werden de bezittingen van de Spaansgezinde ambachtsheren geconfisqueerd. Ook de Vlaardingse ambachtsheer, Van Arenberg, had de Spaanse zijde verkozen.

Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) konden de eigenaren van de geconfisqueerde goederen weer vrij over hun eigendommen beschikken. Karel van Arenberg verkocht in 1611 voor 26.800 gulden de ambachtsheerlijkheid van Vlaardingen en Vlaardinger-Ambacht, alsmede de beide Buitenweiden, aan de Amsterdamse koopman Pieter Gerritsz van Ruytenburch (1562-1627)..

In augustus 1612 sloten Van Ruytenburg en Vlaardingen een overeenkomst. Hierin werd onder meer bepaald dat de ambachtsheer het onderhoud van de brug over het Spui voor zijn rekening nam en dat de stad niet verplicht kon worden mee te betalen aan de aanleg van een nieuwe brug ten behoeve van de huizen, die in de toekomst in de Grote Buitenweide zouden worden gebouwd.

Bijna een jaar later kwam de aanleg van ‘seeckere houte brugge’ over de Haven aan de orde. Van Ruytenburg vond dat Vlaardingen de helft van de kosten moest betalen. De ambachtsheer, als een projectontwikkelaar ‘avant la lettre’, voerde een aantal argumenten aan om het Vlaardingse stadsbestuur over de streep te trekken. Hij trachtte hen te overtuigen van de voordelen die zij bij de bouw van een brug en de ontwikkeling van de Grote Buitenweide zouden kunnen behalen: de uitbreiding van handel en nijverheid, een goede stadsontwikkeling en een evenwichtige stadsopbouw. Bij meerderheid van stemmen weigerden de stadsbestuurders bij te dragen in de kosten voor de brug. De ambachtsheer moest alles zelf maar betalen, tenslotte zou hij ook profijt trekken uit de erfpacht van de door hem uit te geven gronden.

Wel verkreeg de ambachtsheer toestemming om de brug aan te leggen op een plaats die hij daarvoor het meest geschikt achtte. Bovendien kreeg hij de toezegging dat, wanneer er dertig huizen zouden zijn gebouwd, Vlaardingen 500 gulden zou bijdragen voor de brug en daarna, wanneer er veertig huizen zouden staan, nog eens 500 gulden. Maar, de ambachtsheer behoefde bij het stadsbestuur niet aan te kloppen wanneer het ging om het onderhoud, de vernieuwing of de reparatie van de brug, ‘nu nochte ten eeuwigen dagen’.

Een gemiste kans voor Vlaardingen? Het is niet onwaarschijnlijk dat Van Ruytenburg zich de haren uit het hoofd heeft getrokken bij zoveel bekrompenheid van geest. Als Amsterdammer zag hij hoe Amsterdam zich in die tijd ontwikkelde. Eveneens in 1613 vond daar een grote uitbreiding van de stad plaats: het ontstaan van de grachtengordel en de ontwikkeling van het havengebied. Heeft Van Ruytenburg ook dergelijke plannen, wellicht op bescheidener schaal, voor ogen gehad toen hij de ambachtsheerlijkheid Vlaardingen en Vlaardinger-Ambacht kocht? De bereidheid om te investeren in zijn aankoop heeft hij in ieder geval wel getoond.

Reeds eerder, in 1610, was het ‘betimmeren’ van de oostzijde van de Haven al ter sprake gebracht door enkele woordvoerders van Van Arenberg, de toenmalige ambachtsheer. Op dit voorstel lieten de stadsbestuurders in beleefde bewoordingen weten dat zij een beslissing naar het volgende jaar uitstelden, maar dat zij in die tussentijd advies zouden inwinnen. Het antwoord aan Van Arenberg werd hen bespaard: hij verkocht immers alles aan Van Ruytenburg.

De brug over de Haven, een valbrug of ophaalbrug, kwam er. Het stadsbestuur maakte in 1617 een gebaar naar de burgerij: tegen de laagst mogelijke kosten werd er een vlot bij de brug gemaakt om bij hoog en laag water te kunnen worden gebruikt. Tevens kwam er een trap naar het vlot.

Een jaar later had blijkbaar een aantal Vlaardingers de ‘spelregels’ niet helemaal begrepen. Er kwam een verordening waarin het doel van het vlot werd uitgelegd. Het was bestemd om linnen, kleding en andere ‘reijne’ dingen te spoelen en om schoon water uit de Haven te halen. Het water mocht beslist niet worden vervuild door het spoelen van vuiligheid zoals pensen en darmen. De overtreders stond een boete te wachten van 1 gulden bij de eerste keer, 2 gulden bij de tweede keer en 3 gulden bij de derde keer en een correctie door het gerecht. Deze verordening moest in 1619 en in 1628 opnieuw onder de aandacht van de bevolking worden gebracht.

Hoewel de brug volledig door de ambachtsheer was betaald, maakten de stadsbestuurders –ongetwijfeld in overleg met de ambachtsheer- de verordeningen voor de brug. Zo stelden zij bijvoorbeeld de ordonnantie op voor het passeren van de grote en kleine schepen door de brug en waarvoor betaald moest worden aan de ambachtsheer. Voor het openen en sluiten van de brug, bij dag en bij nacht, alsmede voor het innen van het ‘tolgeld’ had hij een brugwachter aangesteld. Deze had ook de bevoegdheid om op te treden tegen wanbetalers. Het schoonhouden en teren van de brug behoorde eveneens tot zijn taken.

In een andere verordening werd de stuurlieden van de buizen en hoekers bevolen de ankers binnen boord te halen om te voorkomen dat de brug beschadigd zou worden. Gebeurde dit toch, dan was de boete 3 gulden en werd de brug gerepareerd op hun kosten.

Nu de brug over de Haven er lag, wilde Van Ruytenburg in 1619 om privacy redenen de brug over het Spui afsluiten met een hek om de doorgang voor de Vlaardingers te belemmeren. Ook nu werd weer met succes een beroep gedaan op de oude rechten. Toch bleef deze kwestie de gemoederen bezig houden.

In 1676, na de nodige discussies, deed het Vlaardingse stadsbestuur afstand van haar recht op het overpad over de brug over het Spui en het pad naar de Maasdijk. Inmiddels lag er vanaf de brug over de Haven, richting Schiedam, een nieuw pad door de Grote Buitenweide: het Toepad (de huidige Schiedamseweg). Johan van Ruytenburg, de kleinzoon van Pieter van Ruytenburg, beloofde de Vlaardingers een ‘rustelijk en vreetsaem’ gebruik van de brug over de Haven en het pad naar de Maasdijk.

De huizenbouw aan de oostzijde van de Haven kwam maar moeilijk op gang. Mogelijk had de ambachtsheer zijn belangstelling voor de stadsuitbreiding verloren, toen het Vlaardingse stadsbestuur niet over de brug wilde komen. In het midden van de zeventiende eeuw werden er zo’n tien huizen en pakhuizen gebouwd. In de loop van de achttiende eeuw nam dit aantal enigszins toe. Vlaardingen heeft dus nooit behoeven bij te dragen aan de brug, zoals in 1613 was afgesproken.

Behalve de jaarlijkse erfpacht betaalden de eigenaars van deze gebouwen jaarlijks het bruggengeld. De ambachtsheren hebben hiermee zeker niet het grote geld binnengehaald: in 1793 werd er voor 16 huizen of pakhuizen ruim 38 gulden betaald.

In 1830 kocht Vlaardingen de ambachtsheerlijkheid, alsmede de Vlaardingse bezittingen van de toenmalige ambachtsheer voor 100.000 gulden. Pas vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw kwam de Grote Buitenweide, of de Oostwijk, tot ontwikkeling.


Bij de foto’s:

1.    Kaart van Vlaardingen, door Jacob van Deventer (1565).

2.    Gravure van de valbrug over de Haven, naar C. Pronk (1743).

3.    De huidige brug over de Haven (2015)

4.    De huidige brug tussen de Kortedijk en de Hoflaan (2013)



Laat een reactie achter

Naam:
E-mailadres:
Reactie:
Reactie toevoegen

Meest gelezen: