De Vlaardinger https://devlaardinger.nl/portals/0/afbeeldingen/logo-V.png

Arij en Geertje, een Vlaardings ‘stelletje’ uit de achttiende eeuw

Arij en Geertje, een Vlaardings ‘stelletje’ uit de achttiende eeuw

De Kerkenraad beraadde zich over de kwestie en kwam met een oplossing. De doop zou niet worden geweigerd. Geertje diende zelf haar kind ten doop te houden in het bijzijn van een lidmaat, dat van onbesproken gedrag moest zijn. Na de doop zou er worden gebeden voor de moeder ‘als onkuijs’ en voor het kind ‘als onegt’. De moeder kwam er in dit geval genadig vanaf: zij behoefde haar zonde niet te belijden voor de gehele gemeente die in de kerk bijeen zou zijn. Iemand van de Kerkenraad zou haar buiten de kerkdienst op haar misstap aanspreken, haar bestraffen en vermanen.

Zodoende werd op woensdag 29 maart 1730 het kind van Geertje en Arij gedoopt, in aanwezigheid van Anna Jacobsdr Suijker als getuige. Het kind kreeg de naam Jacob. De tegenwoordigheid van Anna Suijker doet vermoeden dat zij een verwante was van de vader van het kind. Ook de naam van het kind wijst in die richting. Werd hij vernoemd naar zijn grootvader van vaderskant? De naam Jacob komt namelijk in de familie van Geertje niet voor. De vadersnaam van Arij Suijker werd nergens vermeld, maar het is niet onmogelijk dat Arij een broer van Anna was. Zij had wel een broer Adrianus (geboren in 1690), misschien is hij dezelfde als Arij Suijker. Uit de aanwezigheid van Anna Suijker valt af te leiden dat de familie Suijker het kind als zoon van Arij heeft erkend.

Dat niemand van Geertjes familie optrad als getuige, behoeft niet te betekenen dat deze niet van onbesproken gedrag zou zijn. Geertjes ouders hadden een zogenoemd gemengd huwelijk, waarbij haar vader de rooms-katholieke godsdienst aanhing en haar moeder de protestantse. De kinderen uit dit huwelijk hadden de rooms-katholieke doop ontvangen. In die tijd echter was het rooms-katholicisme geen erkende godsdienst, waardoor de aanhangers vaak heimelijk hun geloof moesten belijden. In de loop van de achttiende eeuw kwam er gelukkig meer versoepeling op dit gebied.

Wat betreft de kleine Jacob, zijn enige optreden was die bij zijn doop. Er werd nadien niets meer van hem vernomen.

Wat was er gebeurd waardoor Arij Suijker in ballingschap was geraakt en zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van Geertje Keijzer en hun ongeboren kind niet op zich kon nemen? Het begon met een ruzie tussen Arij en Geertje. Vervolgens zette Arij zijn hakken in het zand waardoor alles van kwaad tot erger ging.

Arij Suijker woonde aan de Kortedijk in Vlaardingen, aan de kant van de Haven. Hij had het huis en erf met tuin in 1719 gekocht voor 1704 gulden. Gezien het bedrag moet de aankoop een behoorlijk complex hebben betroffen. Hij betaalde ruim de helft contant en nam over het resterende bedrag twee hypotheken tegen 4% per jaar. In 1724 had hij reeds een van deze hypotheken afgelost, een bedrag van 400 gulden. Tot zover valt er weinig aan te merken op het gedrag van Arij. Hij komt als serieus en spaarzaam over.

Toen verscheen Geertje in beeld. Zij werd in 1698 geboren als dochter van Hendrik Keijser en Maartje Cornaat. Op achttienjarige leeftijd was zij met Cornelis Cornelisz Poldervaart getrouwd. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren. Na het overlijden van Cornelis Poldervaart trok Geertje bij Arij Suijker in. Had zij zich verhuurd als huishoudster om in haar onderhoud en dat van haar kinderen te kunnen voorzien? En als zo vaak, kwam van het een het ander. In de stukken van het gerecht staat te lezen dat Arij ‘in onegt (heeft) geleeft en vleesselijke conversatie (heeft) gepleegt met zijne bijsit Geertie Cornaat’. Dat laatste was een fout van de secretaris van het gerecht, want Cornaat was de naam van Geertjes moeder; háár achternaam was Keijser.

Op zaterdagavond 10 september 1729 kregen Arij en Geertje ruzie. Over het waarover of het waarom wordt niets vermeld. Misschien ging het over Geertjes zwangerschap en haar vermoedelijke eis om met Arij een huwelijk aan te gaan.

Om een uur of negen kwam Geertje het huis uitgelopen, achterna gezeten door Arij, die een ‘blood mes’ (zonder schede) in de hand hield. Beiden kwamen bij Jan van der Vaart in huis, die waarschijnlijk ook aan de Kortedijk woonde. Binnen stond Arij te vloeken, tieren en schelden, de honden lustten er geen brood van. Hij liep het huis in en uit en eiste dat iedereen het huis zou verlaten: ‘kompter maar uijt, alle die der in zijn’. Vrouw Van der Vaart was bang en nam de benen.

Door al het kabaal had zich op straat een nieuwsgierige menigte gevormd. Toen Arij het huis van Van der Vaart nogmaals verliet, haalde hij met zijn mes uit naar Vrouw Van der Vaart en ook naar de toekijkende Belitje Hoodenpijl, die een snee in haar kleding kreeg. Zelfs op straat bleef Arij tekeer gaan. Intussen had Van der Vaart zijn deur dichtgedaan. Arij kreeg het niet voor elkaar om die in te trappen. Hij bleef maar roepen dat Van der Vaart en Geertje naar buiten moesten komen.

Omdat het Arij niet gelukte het huis van Van der Vaart weer binnen te komen, kwam hij met een andere oplossing: hij zou zich via de achterdeur toegang verschaffen. Hij klom over verscheidene schuttingen, vernielde onderweg het een en ander en mishandelde de bomen die hij tegenkwam. Toen hij achter het huis van Van der Vaart was gekomen, bleek ook deze deur voor hem te zijn gesloten. Het geweld en rumoer hielden tot een uur of twee ’s nachts aan.

Pas op 22 september besloot de baljuw Arij te dagvaarden om zich te verantwoorden voor zijn gewelddadig gedrag. Vier dagen later verscheen hij voor het gerecht, bestaande uit de baljuw en schepenen. De door hem gepleegde feiten waren reden om hem in ‘besloote hegtenis’ te nemen. Arij kwam in het cachot onder in het stadhuis terecht.

Hoe het gebeurde, wordt niet vermeld, maar Arij zag kans om binnen een week uit de gevangenis te ontsnappen. Ook dit gebeurde met veel geweld. Hij werd nog vier keer voor het gerecht gedaagd alvorens men overging tot een veroordeling bij verstek.

Eind november hoorde men de getuigen, die aanwezig waren geweest bij het incident op de Kortedijk. Het vonnis werd op 5 december 1729 uitgesproken. Arij werd levenslang verbannen uit Holland en West-Friesland, dat wil zeggen uit het huidige Noord- en Zuid-Holland. Indien hij toch zou terugkeren, dan stond een hem zwaardere straf te wachten. Verder werd hij nog veroordeeld tot alle kosten die door het gerecht waren gemaakt.

Om die kosten te verhalen werden zijn huis en goederen publiekelijk geveild door twee, door het gerecht aangestelde curatoren. Begin februari 1730 werd Jan van der Burg de Jonge voor slechts 975 gulden de nieuwe eigenaar van het huis en erf met tuin aan de Kortedijk.

Geertje had het nakijken. Zij trouwde na haar relatie met Arij nog drie keer en overleed omstreeks 1771.

Het is niet bekend waar Arij is gebleven. Bijvoorbeeld, in Vlaardingen met een haven, kon hij vrij gemakkelijk een schip vinden dat hem naar elders bracht. Een andere mogelijkheid was om via Vlaardinger-Ambacht weg te komen. In beide gevallen verdween hij uit het rechtsgebied van de Vlaardingse baljuw.


Bij de foto’s:
1.Stadhuis van Vlaardingen (1743)
2.Cachot onder het stadhuis te Vlaardingen

Laat een reactie achter

Naam:
E-mailadres:
Reactie:
Reactie toevoegen

Meest gelezen: