De Vlaardinger https://devlaardinger.nl/portals/0/afbeeldingen/logo-V.png

Serie waargebeurde verhalen 15

Ons Hutje in Nieuw-Helvoet

Ons Hutje in Nieuw-Helvoet

Het zal zo’n 65 jaar geleden zijn, dat wij weer op zomervakantie waren in Nieuw-Helvoet. Mijn ouders hadden samen met mijn grootouders een huisje gehuurd op camping "De Quack”.

Wij kwamen daar al vele jaren achtereen en altijd in hetzelfde huisje. Het huisje “Ons Hutje” was groen met een golfplaten dak, twee slaapkamers met twee tweepersoonsstapelbedden en een soort huiskamer met een tafel, vier stoelen en twee houten banken. In een hoek van de huiskamer was een klein granieten aanrechtje gesitueerd, met daarnaast een gammel tafeltje waarop een tweepits gasstel en een groen driepits petroleumstel prijkte. Onder het aanrecht stond achter een geruit gordijntje een grote butagasfles en een stinkende petroleumkan. Het geheel zag er netjes, maar bijzonder kaal uit.

Toch was een vakantie op Nieuw-Helvoet voor ons als ras-haringkoppen een verademing en een waar feest. Er waren hier prachtige bossen waarin je urenlang kon ronddolen. Je had er het ‘Quackjeswater’ en een prachtige speeltuin ‘De houten paardjes’ met een heuse glijbaan waar je na het glijden de splinters aan je kont had hangen.

Tevens was er een mooi strand met prachtige duinen, waar je als kind urenlang  kon scheppen en ravotten. Vaders wierpen hier hun vislijn, voorzien van aas en lood, uit. Met enig vakmanschap en uiteraard met zee-hengel liepen de zeevissers, zover als mogelijk was, de helder blauwe zee in om er een schar zo groot als een postzegel of een puitaal waar je ook geen donder aan had, te verschalken. De rest van de familie genoot op het strand van een stralende zon en de drukte op dit gezelligste deel van het strand van Nieuw- Helvoet.

Op een zaterdag, vroeg in de ochtend, gingen mijn vader en ik richting het Voornsekanaal om ook hier ons geluk eens te beproeven. Wij vertrokken op de Kapteyn Mobylett, ik achterop op een soort zweefzadel en mijn vader aan het stuur. U kent die zweefzadels wellicht.

Mijn vader stopte nog even bij de dorpsbakker voor een vers halfje wit, waarvan je van die prachtige pluimen kon draaien, waar brasems - volgens mijn vader - dol op waren. Het rook heerlijk in die bakkerij. Door de lucht alleen al kreeg je meteen trek in zo'n heerlijk warm en vers kadetje.

Wij tuurden naar onze prachtige dobbers in de verte, maar bewegen, ho maar. Geen vis te bekennen. Geen brasem die trek had in zo'n heerlijke verse broodpluim. Behalve ik, natuurlijk. Plotseling begon de werphengel, die twee meter verderop stond, hevig te zwiepen. “Beet!” riepen wij tegelijk. Mijn vader rende op de hengel af, pakte hem en sloeg aan.

De werphengel stond zo krom als een hoepel en mijn vader riep zenuwachtig dat het een joekel van een brasem moest zijn. Hij probeerde de molen te draaien (zelf gemaakt - als uitvinder - van een oude snijbonenmolen en een leeg rolletje Hansaplast.

De vis gaf zich niet zomaar gewonnen, pas na een tijdje drillen gaf deze zich over aan mijn vader en het piepende en knarsende snijbonenmolentje. Het bleek een joekel van een paling te zijn. Zo'n goeie meter lang en een dikte van een stevige pols. Een flinke knaap dus.

Wij besloten direct met onze vangst terug te gaan naar de camping om aldaar onze vangst aan familie en vrienden te laten zien. Zo gezegd, zo gedaan. Bij aankomst was er geen familie aanwezig. Wel een briefje met daarop: “Wij zijn naar het strand. Zitten op de kop. Tot straks.”

Mijn vader liet de spoelbak van het granieten aanrechtje langzaam vollopen met water, pakte de lichtelijk versufte paling op en liet hem in de bak glijden. “Om hem te laten spoelen,” zei mijn vader wijs. Ik knikte, maar snapte er geen hol van.

“Wij zullen oma vanmiddag eens laten schrikken,” en deed lachend een scheutje melk bij de paling. Het water was meteen troebel en de paling onzichtbaar. “Kom,” zei mijn vader, “pak je zwembroek, dan gaan wij ook naar het strand.”

Het werd een fantastische middag alleen niet voor oom Janus die met oom Ton, ver in zee, aan het dollen was. Plotseling begon oom Janus te gillen. Wij begrepen er uiteraard niets van en dachten dat het allemaal aanstellerij was. Krijsend en blèrend en met uitpuilende ogen van angst, worstelde oom Janus zich een weg terug naar het strand. Na inspectie bleek dat oom Janus zo'n glazige kwal in zijn gebreide zwembroek had gevangen en dat schijnt geen pretje te zijn volgens de mensen met ervaring.

Mede door dit voorval gingen we met z'n allen direct terug naar ‘Ons Hutje’ op camping "De Quack" waar de dokter voor oom Janus werd gebeld. Hij had een ontzettende jeuk en jankte alsmaar van de pijn.

Ineens begon omaatje hysterisch te gillen en wees lijkbleek richting het granieten aanrechtje. Niemand begreep wat zij nu ineens bezielde. Een kwal, een kwal riep ze en iedereen dacht dat het een beetje in haar grijze bol was geslagen. Misschien een zonnesteek?

Opa stak zijn hand in het troebele water van de wasbak en toonde triomfantelijk de enorme paling. Mijn vader en ik keken elkaar aan, maar zeiden wijselijk niets. Ome Janus, omaatje en ik, hadden 's avonds geen trek in een stukje gestoofde paling. Omaatje heeft daarna zo lang als ze nog leefde nooit meer de afwas gedaan, ook thuis na deze vakantie niet.

Laat een reactie achter

Naam:
E-mailadres:
Reactie:
Reactie toevoegen

Meest gelezen: