Antonij Buiteweg: begaafd en verguisd

Antonij Buiteweg: begaafd en verguisd

Zijn werkzaamheden waren nauwkeurig vastgelegd. Als schoolmeester gaf hij zes dagen per week les, gedurende het gehele jaar. Als koster luidde hij onder meer de kerkklokken, hield hij de straat schoon om de kerk, inclusief het verwijderen van het gras tussen de stenen, en hield hij de administratie van het begraven van de doden bij.

De voorgaande schoolmeester had het in Waarder nog geen twee jaar uitgehouden. Ook Antonij had het snel bekeken. Waarschijnlijk bood het karige salaris weinig perspectieven voor de jonge schoolmeester, die in augustus 1722 was getrouwd met Claesje Gravensteijn (1700-1731). Aan het einde van dat jaar solliciteerde hij naar de schoolmeesters- en voorzangersplaats in Haastrecht. De dominee van Waarder gaf hem een lovend getuigschrift.

In januari 1723 werd Antonij aangesteld in Haastrecht tegen een jaarsalaris van 170 gulden en een vrije woning. Het huis was geschikt om kinderen of volwassenen in de kost te nemen, die Frans en Duits bij hem wilden leren. Bovendien waren er nog emolumenten, zoals het luiden van de klokken bij begrafenissen, het schoonhouden van de kerk, het uurwerk onderhouden, kaarsen aansteken, enz. Ook hier moest zes dagen per week les worden gegeven, maar niet in de week van Pasen, Pinksteren en Kerstmis of met de Haastrechtse markt en de Goudse kermis. Als voorzanger diende hij in het zwart ‘met bef’ gekleed te gaan.

Begin januari 1727 was er een vacature voor een schoolmeester, koster en voorzanger in Strijen. Voor zowel de kerkenraad als voor de schout en het gerecht was Antonij de meest geschikte kandidaat. Toch werd hij daar niet aangenomen. Het salaris bedroeg 180 gulden per jaar, maar hij nam met minder dan 280 gulden per jaar geen genoegen. Strijen ging aan het rekenen, maar kon slechts tot 230 gulden gaan en koos uiteindelijk voor de ‘second best’.

Antonij bleef nog enkele jaren in Haastrecht. In maart 1730 was er een vacature voor een parochiale schoolmeester in Vlaardingen, tegen een jaarsalaris van 250 gulden. De ‘oude’ schoolmeester, Jan Overstraten, die tevens koster en voorzanger was, functioneerde als schoolmeester al enkele jaren niet meer naar behoren. Hij mocht echter zijn werkzaamheden als koster en voorzanger blijven voortzetten. Behalve de parochiale school bestond er nog een Stadsschool.

Antonij werd per 1 mei 1730 met eenparigheid van stemmen benoemd. Na het overlijden van Jan Overstraten zou hij ook diens kosters- en voorzangersambt overnemen. En zo vertrok Antonij met zijn gezin naar Vlaardingen. De verhuiskosten, ruim 16 gulden, kreeg hij vergoed.

Volgens het schoolreglement werd er op alle werkdagen les gegeven, van 9 tot 11.30 uur en van 13.00 tot 16.00 uur, behalve op donderdagmiddag. De halve weken van Pasen, Pinksteren en Kerstmis, met de Vlaardinger markt (in juni), Hemelvaartsdag en bededagen was er geen school. Gedurende de maanden november t/m februari kon men ook nog dagelijks van 17.00 tot 19.00 uur naar school. De leerlingen dienden zelf voor verwarming en licht te zorgen.

Spellen en lezen kostte twee stuivers per week, schrijven en cijferen drie stuivers en vier stuivers voor een uitgebreider lespakket van dit laatste. Het leergeld, de kost en inwoning voor ‘hele’ kostkinderen van elders en ‘halve’ kostkinderen uit Vlaardingen en Vlaardinger-Ambacht, mocht de meester in redelijkheid bepalen. Dit was ook het geval voor het lesgeven in navigatie, astrologie, landmeten en boekhouden.

De lessen van de voor- en namiddag begonnen en eindigden met gebeden. Aan het einde van de middag werden er minstens twee psalmversjes gezongen. Elke woensdag- en zaterdagmorgen was er catechisatie, vooruitlopend op de tekst van de preek op zondag. De meester diende ook de kinderen te begeleiden naar de dominee voor verder onderricht.

Wat betreft de schoolmeester, hij mocht tijdens de lessen geen tabak roken, wijn of sterke drank gebruiken. Behalve de beschikking over een vrije woning in het parochiale schoolhuis, was hij vrijgesteld van de burgerwacht, stadspachten en indirecte belastingen, zowel voor zijn gezin als voor de kostkinderen. Verder moest de meester respect tonen en gehoorzaamheid betrachten aan de regenten en de burgerij van Vlaardingen en Vlaardinger-Ambacht.

Behalve lesgeven, waren er nog andere werkzaamheden waarmee Antonij was belast. Omdat deze bezigheden boven zijn jaarlijks tractement werden betaald, zijn ze terug te vinden in de rekeningen van de kerkmeesters. Hiertoe behoorden onder meer het schoonhouden van de kerk, de consistorie, de kerkenraadskamer en de school, het legen van het schoolsecreet (de wc), het ontsteken van de lantaarns op het kerkhof bij de kerk en het vegen van de schoorsteen. Misschien werd een aantal van deze ‘klussen’ door hem uitbesteed aan anderen.

Na het overlijden van Jan Overstraten in 1750 kreeg Antonij het voorlezers-, voorzangers- en kosterambt toegewezen, zoals hem bij zijn aanstelling was toegezegd. Dit tractement bedroeg 160 gulden per jaar. In 1777 bedroeg zijn inkomen, naar eigen zeggen, 800 gulden per jaar.

Antonij was een zeer actieve schoolmeester. Regelmatig adverteerde hij in de landelijke bladen, zoals de ’s-Gravenhaegsche Courant, Amsterdamsche Courant en Leydse Courant, om zijn ‘Fransche kostschool’ aan te prijzen. Tevens liet hij weten dat hij onderwijs gaf in lezen, schrijven, psalmzingen, rekenen, navigatie, Italiaans-en scheepsboekhouden, algebra, zonnewijzerskunde, alsmede de kennis van het geschut.

Verder hield Antonij zich bezig met kalligrafie, dichten en schrijven. In 1741 verscheen zijn  boek ‘Bartjens cijferinge’ waarin de rekenkunde werd behandeld. Enkele dichtwerken zijn bewaard gebleven: een ‘Feestgezang’ ter gelegenheid van het zilveren huwelijk van Theodorus Bisdom, burgemeester van Haastrecht (1749), ‘Huw’lijkszangen’ vanwege het huwelijk van zijn oudste dochter Neeltje (1752), een lofdicht op de geboorte van de latere koning Willem I (1772) en nog wat verspreide gelegenheidsgedichten. (De eerste drie dichtenwerken zijn te lezen bij Google Books.)

Van zijn kalligrafeerwerk is een groot aantal werkstukken bewaard gebleven. In verscheidene schriftsoorten werden alfabetten, zinspreuken en gedichtjes –waarschijnlijk grotendeels van eigen hand- door hem opgetekend. Psalmteksten, Mozes met de tien geboden, een kaart van het Middellandse Zeegebied, om slechts enkele voorbeelden van zijn bekwaamheid te noemen. In letterschrift maakte hij bijvoorbeeld een tekening van een olifant. Hierin staat het verhaal te lezen van een olifant die in Goa een kind had gered. Uit het veelvoud aan onderwerpen blijkt Antonij’s belezenheid. Ook de gildeborden in de Vlaardingse Grote Kerk zijn door hem gemaakt.

In 1747, toen Willem IV aantrad als stadhouder, bevond Antonij zich onder de Vlaardingse afgevaardigden die naar Den Haag reisden om de prins van Oranje te feliciteren. Hij sprak de nieuwe stadhouder enkele zinnen toe waarin de blijdschap van de benoeming en het toegewenste succes onder woorden werden gebracht.

Bijna twintig jaar later, bij de benoeming van Willem V tot stadhouder, werd er in Vlaardingen uitbundig feest gevierd. In een boekwerk uit 1776 met onder andere de beschrijving van de landelijke feestuitingen had de schrijver maar liefst ruim drie pagina’s nodig om alle feestversieringen, voorzien van dichtwerken, aan en in het huis van Antonij te beschrijven.

In de jaren zeventig raakte Antonij in onmin door het Zanggeschil. Een van zijn tegenstanders in die tijd beschreef hem als ‘buitengemeen verwaand en driftig, hy was byzonder gezet op zyn caracter en zeer ligt geraakt’. Dit zou zeker waar kunnen zijn.

In dit artikel zal niet verder worden ingegaan op de kwestie van het Vlaardings Zanggeschil. Er is daarover in de laatste eeuwen al zoveel over gezegd en geschreven en dus elders te lezen.

In 1777 diende Antonij zijn ontslag in voor al zijn functies, al dan niet gedwongen door zijn tegenstanders. Na enige discussie kreeg hij een jaarlijks pensioen van 275 gulden.

Ondanks het terugtreden van de voorzanger gingen de onlusten in Vlaardingen nog lange tijd door.

Antonij’s tweede vrouw, Jacoba Gerritsdr van Noorwegen (geb. 1700), met wie hij in 1732 in Vlaardingen trouwde, stierf in 1776. Hij overleed in november 1783 in Leidschendam en werd in de Grote Kerk te Vlaardingen begraven.

Bij de afbeeldingen (alle afkomstig van het Stadsarchief te Vlaardingen):
1.Alfabet, 1736.
2.Psalmen.
3.Alfabet en zinspreuken.
4.Olifant met tekst over een gebeurtenis te Goa op zijn buik.

Laat een reactie achter

Naam:
E-mailadres:
Reactie:
Reactie toevoegen

Uw naam
Uw e-mailadres
Onderwerp
Vul uw bericht in...
x

Meest gelezen: