De Vlaardinger https://devlaardinger.nl/portals/0/afbeeldingen/logo-V.png

Ton Lebbink & (on)beantwoorde liefde

Ton Lebbink & (on)beantwoorde liefde

Ton Lebbink liep haastig Café Helmers binnen, bijna bang dat de drank duurder zou zijn of – erger nog, veel erger – tot de laatste druppel op. Er zaten twee mensen aan de bar, daartussen nam hij plaats, redenerend dat als twee mensen niet naast elkaar zitten ze niet bij elkaar horen of ruzie hebben. Omdat de één een vrouw was, die er zelfs in de snelheid van het binnenkomen aantrekkelijk uitzag (ze zat en profile) was permanente scheiding van een hem onbekende kerel geen bezwaar. In geval van ruzie kon hij als geen ander olie op hun vuurtje gooien.

Dienster Caroline werkte hier nog niet, dus bestelde hij zijn drankjes (een anderhalfje avant la lettre) bij de uitbater – een nors type waar je af-en-toe best mee kon lachen. Hij draaide zich naar links en vroeg aan de dame: ‘Jij wat drinken, moppie?’ Ze rook naar Chanel Nr. 5, de lippen subtiel gestift met een dun penseel en haar haar danste al ver voor een tv-reclame er de aandacht op vestigde.

Ze knikte bevestigend en wees zwijgend op haar glas waar de uitbater fluks een schot Cointreau in deed, met drie klontjes ijs. Ton Lebbink probeerde zijn materiële succes in woord om te zetten. Zij nipte, toverde een glimlach op haar gezicht en knipoogde koket. ‘Godverdomme hoer,’ schreeuwde de man aan de andere kant van Ton Lebbink.

De dichter draaide zich om en keek de patjepeeër recht en onbevreesd in het woeste gezicht. Hij bonkte driemaal met zijn drummersvuist op de zinken toog. In de geest van de man knakte iets. Hij slikte, kreeg tranen in de ogen en zei: ‘Dat takkewijf zet me elke keer te kakken. Ga je samen uit, zuipt ze je knip leeg en met de eerste de beste flirt ze verder alsof ze mij, haar echtgenoot nota bene, geheel is vergeten.’

Ton Lebbink keek hem nu werkelijk razend aan. ‘Ten eerste ben ik wel op een aantal vlakken de beste, ten tweede ben ik zeker niet de eerste, maar daar kun jij niets aan doen en als die bijzondere dame iets van mij wil drinken heb jij daar geen zeggenschap over. We leven in een vrij land. Daarbij: een vent die jankt is een watje en watjes horen niet aan de bar in de kroeg. Die zijn er om mascara af te schminken of om sterrekers op te kweken. Wegwezen, is mijn dwingend advies. En wel nu. Maar omdat je me niet al te onsympathiek voorkomt zal ik je bonnetje betalen.’

De man droop af als een geslagen hond, maar wel nog met volle beurs.

De deur ging open en de ex-filmjournalist passeerde de snikkende man, die afdroop als een rek van Blokker. ‘Heb je hem zijn vet gegeven, Lebbink? Uitbater doe mij een koffie.’ Hij ging zitten aan het tweepersoonstafeltje aan de bewoonde straatkant. Daar sloeg hij De Telegraaf open en gedroeg zich voorbeeldig.

‘Hallo. Mijn naam is Patricia. Toeval of niet, maar ik ben te paaien vandaag en zeker door jou, kanjer met je scherpe pen.’
   ‘Patricia? Je jat gelijk mijn flauwste openingsgrap. Dat is niet netjes. Maar alla, je kent me nog niet. Ik zal het door mijn vingers zien.’
   ‘Sorry. Ik heb zeker een drupje te veel mannelijk hormoon vandaag. Dan ga ik altijd grapjes maken.’
   ‘Je bent toch geen temeie, hè? vroeg Ton Lebbink ineens en keek uit het raam of hij de afgetaaide kerel nog ergens zag rondhangen. Je wist immers maar nooit. Die ervaring had hij eerder opgedaan en was hem matig bevallen. Misschien omdat het een motorcafé was en de heren allemaal een snor hadden, een leren jack droegen en rond de twee meter lang. Maar dat laatste kon ook toeval zijn.
   ‘Nee. Ik ben alleen op stap en kwam hem pas hier tegen. Lijkt me nogal een bezitterig type, dat na een drankje gelijk denkt dat je getrouwd bent met hem. Zulke gozers zijn leuk voor even, als er verder niemand is. Maar nu jij hier naast me zit en tegen me praat ben ik hem al haast vergeten. Nog wat drinken?’
   ‘Aha, fijn zo. Een anderhalfje, graag.’ Goed zo, dacht hij en keek naar de ex-filmjournalist die nog altijd zat te lezen in het dagelijks overdreven opgeblazen nieuws.
   ‘Ik heb onlangs een optreden van je gezien met Mecano. Dat was in Paradiso. Jullie muziek is te gek. Toen ik na afloop de straat weer opliep, was ik hitsig, tochtig, bronstig, geil, het vocht liep langs mijn dijen. Ik bleef staan, keek om en wilde terug om je uit de kleedkamer te trekken. Dat vond ik (na lichte twijfel) ongepast en zelfs een groupie onwaardig. Ik wandelde dus naar huis.’
   Ton Lebbink bestudeerde haar met de nodige aandacht. Patricia was een stoot van een wijf, met gelaatstrekken als van Nico Päffgen, het Duitse fotomodel, de gewaardeerde actrice en de zwoele zangeres, die lange tijd tot de werkende klasse van The Velvet Underground behoorde en ook met stadgenoot Jan Cremer het bed deelde. Zij was geknipt voor een lange nacht zwetend werken tussen om het even wiens lakens. “Geschikt voor het betere werk,” zou Ik Jan zeggen. Ze leek een eind in de vijftig, maar straalde een ongekende jeugdigheid uit die niet van de plastische chirurg afkomstig was. Zij was stevig op het voluptueuze af, haar figuur gebeeldhouwd als door Michelangelo of in drie dimensies geschilderd door Rubens zelf. Ton Lebbink bedacht maar dat ze vijftig was omdat jonger grut zijn gesprekken nooit wist te volgen, dat hij op dit soort momenten met liefde voerde. Toch zat hij er, zijns denken, niet ver naast.
   ‘Patricia?’
   Ze keek de latere krokettenbakker van de FEBO aan als iemand die op wolken liep met een buik zo vol vlinders, dat Hennie Vrienten die over het hoofd moet hebben gezien tijdens het schrijven van zijn Sinds een Dag of 2.
   ‘Wie ik ben, dat weet je wel. Wat ik doe is je ook niet onbekend. Maar je onwereldse schoonheid ten spijt moet ik nu gaan. Misschien dat we elkaar volgende week vrijdag weer kunnen ontmoeten. Ons samenzijn meer uitdiepen. Jouw uiterlijk is van een dusdanige zeldzaamheid, dat ik me niet die god voel, die je vannacht verdient.’


Bij het horen van deze woorden verdween op slag alle liefde uit haar gezicht. Ze gromde als een voorwereldlijk monster uit een B- of C-film van horrormiveau. Heur haar werd grijs en de scheuren schoten dwars door haar vel. Zij verging tot stof en dwarrelde dwars door de zaak toen de deur juist weer openging en een windstoot binnen blies. Een deel van haar kwam in de asbak op de leestafel terecht. En zo hoorde het ook. 'Opgeruimd staat netjes,' sprak de ex-filmjournalist en sloeg ritselend een bladzij om van De Telegraaf.

(ON)BEANTWOORDE LIEFDE

De machtige Twijfel stroomt altijd weer naar zee?
Ik hink op gedachte of zijn het er twee?
Is zij een rivier? Of is zij een kanaal?
Ben ik verkeer of ben ik gemaal?
Ben ik genoot of ben ik een gade?
Ben ik een oever of ben ik een kade?
Ben ik alleen of met zijn allen?
Ik weet een ding zeker:
Ik ben wankelmoedig in de Twijfel gevallen.

Laat een reactie achter

Naam:
E-mailadres:
Reactie:
Reactie toevoegen

Uw naam
Uw e-mailadres
Onderwerp
Vul uw bericht in...
x

Meest gelezen: