De Vlaardinger https://devlaardinger.nl/portals/0/afbeeldingen/logo-V.png

Ton Lebbink: ‘Kapotte Puch?’

Ton Lebbink: ‘Kapotte Puch?’

Voor een keertje zat Ton Lebbink eens niet op een kruk aan de bar van Café Helmers. Noch verkeerde hij met de ellenbogen op het Perzisch tapijt van de leestafel, de handen voor de oren en voor zich, naast een geduldig wachtend anderhalfje (ijskoude jenever en een groot glas bier) Pulpkrant de Telegraaf uitgespreid.

Het ging maar om een dag en zijn stamcafé zou er niet failliet van raken. Bovendien was het een dolle dinsdag en de toeloop meest van bedenkelijk peil. Immers er moest door menig arbeider en zakenman gewerkt worden om op gezelliger dagen een drankje van het een-of-het-ander te kunnen kopen.

Die dinsdag zat Ton Lebbink op de fiets. Zijn sportfiets om precies te zijn. Vroeger een jongensfiets met omgekeerd stuur, wist hij zich op later leeftijd een echte racefiets aan te schaffen. Dat scheelde een hoog gezwoeg en bovendien reed je een stuk harder dan de gemiddelde huisvrouw of moe gewerkte middenstander.

Hij trapte na de eerste en noodzakelijke stadse kilometers door het Noord-Hollands land. Een zee van vlak groen dat wuivend de willekeur van de wind willoos volgde als een verliefde tiener de wulpse roodharige vrijgezelle tekenjuf van middelbare school.

‘Fietsen is je hoofd leegmaken en gezond bezig zijn,’ zei Ton Lebbink ooit. In de kroeg werd hard gelachen. De meeste vaste gasten waren van het soort dat sport op tv volgde. Zelf bewegen? Nou, alla vooruit dan maar, van de woning richting horeca en zwalkend terug voor wat extra meters.

Maar nu was het zo’n dag dat Ton Lebbink almaar achter de horizon aanjoeg. Hij passeerde jan-en-alleman. Trok met grote snelheid door boerendorpen. Negeerde hier-en-daar een rood verkeerslicht; het stoplicht. Het kwam hem (gelukkig maar) niet duur te staan. Hij was één met de natuur en de natuur omarmde hem blij als de verloren zoon door almaar windje mee te blazen.

Binnen de kortste keren was hij Castricum voorbij. Voort ging het nu, noordwaarts langs de kust. In Egmond aan Zee at hij een broodje kaas. In Bergen aan Zee zag hij Thé Lau op de tennisbaan terwijl hij een band plakte. Toen volgde een lang traject richting Camperduin. Hij zweette dat het een dichter onwaardig leek. Hij stoempte en leek rijp voor de Tour de France.

Ter hoogte van Hargen aan Zee passeerde hij een brommer. Hierop een jongeman met lang haar en (in weerwil van het lekkere weer) een groene parka om de frêle schouders. Het bleek een opgevoerde Puch en de berijder van het norse type gaf zwijgend gas bij. Nu passeerde hij Ton Lebbink. Die, de grote jongens indachtig, ging even van het zadel en zette zich in de windvrije zone van de jongeling en deed geen meter meer op kop.

Met een verbeten gezicht gaf de Nederlands Onderdaan Zonder Enig Moraal nog een beetje gas bij, maar Ton Lebbink verkeerde in grootste vorm. Wat had dienster Caroline in zijn broodje kaas gedaan? Het leek wel of zijn benen en geest van een hogere orde waren: hij deed moeiteloos een tandje bij. Het werd een gevecht op poëzie en Sturm & Drang. Ter hoogte van Sint Maartenszee een knal en de Puch begon nog meer te roken dan voorheen. Het tempo zakte naar nul. De dichter kon hem net aan passeren zonder valpartij en reed grijnzend door. Bij Callantsoog stapte hij af en tankte bij een duinpan wat koel en fris leidingwater in zijn bidon.

De zon zakte in de zee. In Amsterdam een veel gehoorde kreet dat met het nodige gesis werd uitgesproken, zag hij op dat moment de werkelijkheid ervan in. Nu alleen nog even nog terug naar het hoofdstedelijke.

Maar de weergoden hadden hem verlaten. De wind begon en bleef jakkeren vanuit het zuiden. Af-en-toe vergezeld door hagel en regen werd het een regelrechte helletocht. Hij jankte een traan van onsportieve spijt toen hij de jongeling zag, die nu zijn Puch aan de hand, duwend maar met wind mee, zijn route vervolgen moest. Had hij hem moeten bijstaan na die mooie strijd? Hij zou het nooit meer doen (dat wist hij zeker): Puchje pesten.

Uiteindelijk vrijdagmiddag was hij terug; tijd voor een lekker anderhalfje. En geld zat want naast de dolle dinsdag (die er werkelijk een was) moest Café Helmers het voor een keertje ook woensdag en donderdag zonder hem stellen. De verhalen werden er alleen maar mooier van.

HET VIERLUIK VAN GEURTJE (6/meerdere hoofdstukken)

Geurtje Dijkstra
Het ontdooien van de ogen van de winnaar van de Elfstedentocht betekende tegelijkertijd het einde van een gemene winter.
De tuin van Siep Dijkstra lag nog na te hijgen.
Over het berijpte gras wipten de blote voeten van geurtje terug naar haar kamertje.
Ook de rest van haar volwassen wordend lijf was niet gekleed.
Haar borsten wapperden lichtjes in de frisse lentebries.
Haar tepels, als geschrokken slakken hadden ze zich samengetrokken en leken nu op haar lievelingslekkernij: pindarotsjes.
Zo was het wel koud genoeg geweest, dacht Geurtje, een rank tienertje van boven de dertien.
Nu nog een heet bad en daarna met de rode Honda over hobbelige wegen rijden.
Er viel zwangerschap te bestrijden.
Het was de schuld van Lieuwe, want wat was ze verliefd geweest.
Ze had de puisten op zijn voorhoofd wel stuk voor stuk kunnen uitzuigen.

Dertien was ze toen ze Lieuwe de Boer voor het eerst ontmoette bij de meest coole hang-out van Staphorst: het bushokje op de IJsselmeerdijk.
Op een six-pack werd niet gekeken en onderaan de dijk stond het riet dik en hoog.
Ongekend is het geweld van de opgekropte lust.
Zijn zaad had zich als een hongerige worm bij haar naar binnen gevreten.
Warmte kou en hobbelige wegen hielp niet. Een kind wilde ze niet. Neuken wel, maar van veilig vrijen kreeg ze blaasjes op haar tieten.

Wat moest ze nou nog met die puistenkop. Wat moest ze met dat melkboerenhondenhaar.
Wat moest ze met die bloeddoorlopen ogen van een kippenvanger te lamlendig om een stofbril te kopen. Twaalf kippen per krat voor een habbekrats maal 40.000 gedeeld door drie collega’s …
Ze kwam er niet uit. Veel was het niet.
Ze moest even giechelen.
Het enige waar Lieuwe rijk aan was, waren pukkels en sperma.

Maandag had ze een afspraak bij Dokter Thielmann.
Als huisvriend kwam hij regelmatig dammen met Pa.
Dan keek hij altijd zo smeuïg naar haar.
Had ze Ma nog maar. Ma was vorig jaar verdronken tijdens een cursus reddend zwemmen voor beginners.
En Pa? Pa dacht rolstoelbasketbal, leefde rolstoelbasketbal en ademde rolstoelbasketbal.
Alleen voor een potje dammen was hij nog te porren.
Onder het gedreun van de laatste orgelklanken rent ze de kerk uit, stap op haar rode Honda en stuift toch maar weerde dijk op richting Lieuwe.
Bij gebrek aan beter.

(Wordt nog eenmaal vervolgd)

HET VIERLUIK VAN GEURTJE (1 & 2 & 3 & 4 & 5/meerdere hoofdstukken)
(Wat voorafging)

Siep Dijkstra
Katwijk, zaterdagmiddag.
Siep Dijkstra, spelverdeler van de Staphorster Polio Club, zit in de kleedkamer van Katwijk de banden van zijn rolstoel in te vetten.
De stroeve vloer van de Katwijkse Anti-lopen had hem in het verleden menigmaal parten gespeeld, vooral bij het dunken.
Zowel bij zijn eigen team als bij de Anti-lopen betekenen details, zoals het tijdig invetten van banden, de marge tussen play-offs en degraderen.
Dat Katwijk.
Alle hoeken van de basket hadden ze gezien in Staphorst vorig jaar.
Sinds de Paralympics had hij niet meer zo gelachen.

Nu waren de rollen omgedraaid.
Door de polio-epidemie van 15 jaar geleden had een duchtige instroom van jong talent de gelederen van de Katwijkers danig versterkt.
Nee, Staphorst moest straks flink aan de bak om een plaats bij de laatste vier veilig te stellen.
De Anti-lopers waren nog niet aanwezig en Siep had van de gelegenheid gebruik gemaakt om ‘Bijstandspotten moeten gratis beffen’ op de muur van de vijandelijke kleedkamer te spuiten.
Zou ze leren, die vuile smerige gereformeerde Katwijkse teringlijers.
Inwendig lachend veegt Siep de vetrestanten van zijn Michelins.

Elke dag moest hij naar de kerk en op Zondag helemaal.
Zondag is de hel in Staphorst, je mag niks en verder is alles verboden.
Alleen de kerk mag.
Tijdens de preek van vanochtend, een litanie over de zwevende rib van Adam en waarom Eva daar geen genoegen mee nam was hij in zijn rolstoel weggedommeld en pas tijdens het slotpsalm wakker geschrokken om onder her dreunen van het orgel de Staphorster Gemeente Kerk uit te rijden.

De spelersbus stond al bij de halte op de IJsselmeerdijk te wachten.
Ome Cor had de vrachtluiken van de bus geopend en stond klaar om de rolstoelen van de spelers in te klappen en te verstouwen.
Cor had jarenlang zijn Staphorster brekebeentjes veilig naar de uitwedstrijden geloodst.
Hij kon wel zo langzamerhand een ongelukje velen.
Iedereen was al gehandicapt dus de schade kon alleen maar meevallen.

Siep had zichzelf die ochtend maar eens een goeie beurt gegeven.
Aftrekken voor een wedstrijd mocht eerst niet van de trainer.
Kreeg je slappe armen van.
Nu móest het. Begon je lekker ontspannen aan de wedstrijd.

Bij de uitgang van de kerk beantwoordde Siep kort de barse groet van Bolke de Boer, eigenaar van een schuur met 40.000 slachtkippen en vader van Lieuwe met wie de dochter van Siep, Geurtje Dijkstra, al een jaartje optrok.
Bolke ‘de Beer’ was vanwege zijn lengte nuttig onder de basket. Twee meter vijftien had hij gemeten toen hij zijn benen nog had.
Siep werd in zijn schouder geknepen.
Het was de hand van zijn huisvriend Doc. Thielmann die hem plagend vroeg waarom Jezus zo slecht de slaap kon vatten.
Siep wist het niet.
Omdat hij zijn schaapjes lag te tellen.
Bulderend van het lachen had hij afscheid genomen van zijn kameraad en koers gezet naar de bus van Ome Cor.
Uit een ooghoek zag hij Geurtje met haar rode Honda de IJsselmeerdijk opstuiven richting Lieuwe die naast het bushokje aan een blikje stond te trekken.
Ze was zo stil de laatste tijd. Alsof ze iets onder haar leden had …

Zo, hij moest zich maar eens op de wedstrijd concentreren en scherp als een mes rolt hij even later met zijn teamgenoten naar de vijandelijke vloer …
Sport verbroedert zolang je wint.

Lieuwe de Boer
Lieuwe de Boer hangt zoals altijd op Zaterdag rond een uur of tien tegen het bushokje op de IJsselmeerdijk.
Hij had thuis in de badkamer eens goed naar zichzelf gekeken.
Zijn rossig steile melkboerenhondenhaar kleurde goed bij de talloze jeugdpuisten die sinds een jaar of wat zijn voorhoofd in een driedimensionale reliëfkaart van Zuid-Limburg hadden veranderd.
Hij had zich arm gekocht aan dubbelwerkend Clearasil, maar zelfs dit smeerseltje was niet opgewassen tegen de hormoonexplosie van deze 18-jarige kippenvanger.

Een six-pack Amstel heeft hij bij zich om de tijd te doden tot Geurtje met haar rode Honda de dijk komt opstuiven.
Ze kan zo komen, de kerk loopt uit.
Nou, loopt …
Het percentage rolstoelen onder de gelovigen overstijgt ruimschoots het landelijk gemiddelde.
Hij ziet meneer Dijkstra, de vader van Geurtje, bulderend lachen om een opmerking van Doc Thielmann.
Het zou Lieuwe een dikke vette rotzorg zijn.
Met een geroutineerde ruk trekt hij het eerste blikje open.
Het was me godverdomme wat, samen met drie collega’s zonder stofbril in een schuur 40.000 slachtkippen vangen en in kratten stoppen. Wat een baan. Dan kon hij nog beter politieagent worden.

Snel klokt hij het blikje leeg, want daar had je Geurtje.
Witte sokjes, een rode scooter en een wapperende staart.
Zo, nog even wachten tot de spelersbus naar Katwijk vertrekt en dan barstend van testosteron sidderend van genot onder aan de dijk tussen het riet een liter sperma in haar gedoogzone spuiten. Ha!
Hij trekt nog maar eens een blikje open.

Doc Thielmann
Deze zaterdag gaat het over vergiffenis en zonde en waarom Eva de zwevende rib van Adam te min vond.
Een mat ochtendlicht hangt als een dunne nevel in de Staphorster Gemeentekerk.
Doc Thielmann gaat even verzitten.
De hardhouten bankjes waren wegens het geloof niet bedoeld voor het gemak.
Ook billen moeten boeten

Als clubarts van de Katwijkse Anti-lopen had hij zich na de verloren wedstrijd tegen de Staphorster Polio Club blijvend in Staphorst weten te vestigen.
Na de beslissende dunk van de Staphorsters kreeg de plaatselijke geneesheer een fatale hartaanval en Thielmann had de praktijk met genoegen overgenomen.
Een hoop lekkere meiden in Staphorst. Van die goedgelovige sukkels.
Een karig bestaan, dat wel.
Sinds de wil van God heeft men het hier niet zo op met medicijnen.

Je kunt iemand best martelen met een brandende sigaret, maar zo wordt het slachtoffer wel gedwongen om ongewild mee te roken.
Even moest Thielmann lachen; wat is hij toch briljánt.
Zo, nog even een Psalm en hij kan er weer voor een week tegen.
En wat voor een week!
Maandag heeft hij op de praktijk een afspraak met Geurtje Dijkstra, de lekkere dochter van zijn ‘vriend’ die vredig naast hem in zijn rolstoel zit te dommelen.
Hij gaat maar weer eens verzitten, stilletjes jaloers op het zachte kussen van Siep.

Augurk, pindakaas, slagroom, álles at ze, had Geurtje hem twee dagen geleden fluisterend over de telefoon verteld.
En dat ze dacht dat ze zwanger was en veertien en of ze een afspraak kon maken voor een ónderzoek en of abortus tot de mogelijkheden zou kunnen behoren.
Thielmann had zich geestelijk in de handen gewreven, gezegd dat maandag aanstaande halfelf goed schikte en was gelijk zijn instrumenten gaan steriliseren.

Na het uitgaan van de kerk ziet hij Geurtje op een rode Honda naar het bushokje op de IJsselmeerdijk stuiven. Hij knijpt Siep Dijkstra even in de schouder en vertelt hem die flauwe grap over waarom Jezus zo moeilijk de slaap kon vatten.
Omdat Jezus het niet begreep was misschien leuker dan schaapjes tellen.
Even later ziet Thielmann de spelersbus van Ome Cor naar Katwijk vertrekken en de dansende paardenstaart van Geurtje de andere kant van de dijk afzakken gevolgd door een puisterige puber, een halflege six-pack en het ruisen van het riet.

Thielmann gaat zijn instrumenten alvast maar eens klaarleggen.

Laat een reactie achter

Naam:
E-mailadres:
Reactie:
Reactie toevoegen

Uw naam
Uw e-mailadres
Onderwerp
Vul uw bericht in...
x

Meest gelezen: